http://www.demooistetuinen.be/modules/mod_image_show_gk4/cache/tuin4gk-is-656.jpglink

Veldwetboek

Het Veldwetboek van 7 oktober 1886 is een Belgische wet die een aantal verplichtingen en rechten van de burgers regelt met betrekking tot nabuurschapsproblemen op het platteland. Daarnaast omvat het Veldwetboek verplichtingen tegenover de overheid evenals politionele bepalingen.

Ondanks de vele wijzigingen die het veldwetboek ondergaan heeft in de loop van de tijd, heeft het deels een archaïsch karakter behouden.

In het verleden werd deze wet aangeduid als Landelijk Wetboek.

ART. 1

De eigenaar van een veld moet gedogen dat er graafwerk op verricht wordt om er zoveel

aarde, zand, steen en ander materiaal uit te halen als nodig is voor het aanleggen of

onderhouden van wegen, vaarten, bruggen en andere werken van algemeen, provinciaal of

gemeentelijk openbaar nut.

ART. 2

Het graafrecht mag niet worden uitgeoefend op minder dan vijftig meter afstand van

woningen en daaraan palende besloten erven.

Het strekt zich niet uit tot groeven of winplaatsen van materiaal die in bedrijf zijn op het

tijdstip dat de werken van openbaar nut worden uitgevoerd.

ART. 3

De voor het graafwerk nodige grond mag niet in bezit worden genomen dan nadat de

noodzaak daarvan is vastgesteld en vergunning daartoe is verleend door het openbaar

bestuur dat belast is met de uitvoering van of het toezicht op het werk ten behoeve waarvan

gegraven wordt.

In geval van verzet van de eigenaar beslist de Koning, de bestendige deputatie van de

provincieraad gehoord.

Het bestuur dat graafvergunning verleent, bepaalt de borgsom die de aannemer moet storten

tot dekking van de eventueel aan de eigenaar te betalen schadevergoeding.

ART. 4

De eigenaar van de grond wordt ten minste vijftien dagen tevoren bij

[gerechtsdeurwaarders]exploot in kennis gesteld van de bezitneming.

(W. 5.7.1963 - art. 48, §4 - B.S. 17.7.1963)

Het exploot wordt betekend op verzoek van het bestuur of van de aannemer naar gelang het

werk al dan niet in eigen beheer wordt uitgevoerd. Het vermeldt in het kort het doel van de

bezitneming en de ligging en uitgestrektheid van de grond.

ART. 5

Ten minste acht dagen vóór de bezitneming maakt een beëdigd landmeter, op verzoek zoals

hierboven bepaald, van de in bezit te nemen grond een beschrijving op.

De eigenaar wordt drie dagen tevoren gedagvaard om daarbij aanwezig te zijn; hij kan alle

opmerkingen of bevindingen betreffende de plaatsgesteldheid in het proces-verbaal van de

beschrijving doen opnemen.

ART. 6

De huurders, vruchtgebruikers en andere belanghebbenden zijn ontvankelijk om in de zaak

tussen te komen, hetzij rechtstreeks, hetzij omdat de eigenaar hen erin betrekt.


ART. 7

De door de bezitneming veroorzaakte schade wordt geregeld volgens het gemeen recht.

Indien de grond langer dan een maand in bezit gehouden wordt, is de eigenaar gerechtigd

de onteigening ervan te vorderen.

In dat geval wordt de schadeloosstelling geregeld met inachtneming van de vormen [

voorgeschreven bij de wetgeving op de onteigening ten algemenen nutte. ]

(W. 8.4.1969 - art. 1, 1 - B.S. 25.6.1969)

ART. 8

De uitgegraven materialen mogen niet worden weggehaald dan nadat de eigenaar vergoed

is voor de gehele schade door de bezitneming of de uitgraving veroorzaakt. In geval van

onenigheid over de vergoeding wordt de zaak berecht door de vrederechter van het kanton

waar het graafwerk verricht wordt.

[ Tot het bedrag vastgesteld bij de wettelijke bepalingen betreffende de algemene

bevoegdheid van de vrederechters ] wordt het vonnis in laatste aanleg, voor elk hoger

bedrag wordt het in eerste aanleg gewezen.

(W. 8.4.1969 - art. 1, 2 - B.S. 25.6.1969)

ART. 9

Wordt tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, dan wordt het weghalen van de materialen

daardoor niet opgeschort; de bij het vonnis bepaalde prijs moet echter vooraf aan de

eigenaar en aan de rechthebbenden worden betaald.

In geval van weigering of wettige verhindering om de prijs in ontvangst te nemen, wordt deze

in de [ Deposito- en Consignatiekas ] gestort.

(W. 8.4.1969 - art. 1, 3 - B.S. 25.6.1969)

ART. 10

[ ... ]

(Opgeheven W. 8.4.1969 - art. 1, 4 - B.S. 25.6.1969)

HOOFDSTUK II Gewassen, veldvruchten, bijen

ART. 11

Alleen bejaarden, gebrekkigen, vrouwen en kinderen beneden twaalf jaar mogen van

zonsopgang tot zonsondergang aren lezen en naharken in de plaatsen waar zulks

gebruikelijk is en slechts in niet-omheinde, op het grondgebied van hun gemeente gelegen

velden waar de oogst geheel ingezameld en weggehaald is.

Aren lezen mag slechts met de hand geschieden; naharken met behulp van een hark met

ijzeren tanden is verboden.

ART. 12

[ ... ]

Opgeheven.

(W. 2.4.1971 - art. 10, 1 - B.S. 20.4.1971)


ART. 13

[ ... ]

(Opgeheven D. 24.7.1991 - art. 42 - B.S. 7.9.1991)

ART. 14

De eigenaar van een bijenzwerm heeft het recht er opnieuw bezit van te nemen, zolang hij

niet opgehouden heeft hem te volgen of terug te vorderen.

Anders behoort de zwerm toe aan de eerste bezitnemer en, bij gebreke van een eerste

bezitnemer, aan hem die de eigendom of het genot heeft van de grond waarop de zwerm

zich heeft neergezet.

HOOFDSTUK III Bevloeiing en drooglegging

ART. 15

Iedere eigenaar die ter bevloeiing van zijn erf gebruik wil maken van natuurlijk of kunstmatig

gewonnen water waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en

voorafgaande schadeloosstelling het recht verkrijgen om dit water over de tussengelegen

erven te leiden.

ART. 16

De eigenaars van de lager gelegen erven moeten het water van de aldus bevloeide gronden

ontvangen, met dien verstande dat hun een vergoeding verschuldigd kan zijn.

ART. 17

Dit recht om water over de tussengelegen erven te leiden kan onder dezelfde voorwaarden

worden verleend aan de eigenaar van een moeras of van een geheel of gedeeltelijk

overstroomde grond om het schadelijke water afloop te geven, alsmede aan de eigenaar van

een vochtige grond die door middel van ondergrondse leidingen of van greppels moet

worden drooggemaakt.

ART. 18

Gebouwen, alsmede binnenplaatsen, tuinen, parken en besloten erven die aan een woning

palen, zijn niet onderworpen aan de erfdienstbaarheid waarvan sprake is in de drie

voorgaande artikelen.

ART. 19

Iedere eigenaar die tot bevloeiing van zijn eigendom gebruik wil maken van het water

waarover hij het recht heeft te beschikken, kan tegen billijke en voorafgaande

schadeloosstelling het recht verkrijgen om de voor zijn watervang noodzakelijke kunstwerken

te doen rusten op het erf van de aangelande van de andere oever.

Die kunstwerken moeten derwijze worden gebouwd en onderhouden dat zij geen schade

berokkenen aan de naburige erven.

Gebouwen, alsmede binnenplaatsen en tuinen die aan een woning palen, zijn aan deze

erfdienstbaarheid niet onderworpen.

ART. 20

De aangelande van wie gevorderd wordt dat het kunstwerk op zijn erf zal rusten, kan steeds

het gemeenschappelijk gebruik van de stuw verkrijgen, mits hij in de bouw- en

onderhoudskosten bijdraagt naar verhouding van de oppervlakte die iedere gebruiker wil

bevloeien en van de hoeveelheid water waarover hij zal beschikken.


Vordert de aangelande het gemeenschappelijk gebruik eerst nadat

het werk begonnen of voltooid is, dan draagt alleen hij de kosten van de veranderingen die

nodig zijn om die stuw geschikt te maken voor de bevloeiing van zijn erf.

ART. 21

Geschillen betreffende de vestiging van de in de vorige artikelen vermelde

erfdienstbaarheden, de bepaling van de loop, de afmetingen en de vorm van de waterleiding,

de bouw en het onderhoud van de kunstwerken voor de watervang, de verandering van

reeds bestaande werken en de vergoeding van de eigenaar van het erf waardoor het water

loopt, of dat het aflopend water ontvangt, of waarop het kunstwerk rust, worden gebracht

voor de vrederechter van het kanton waar de erfdienstbaarheid gelegen is. De rechter moet

het belang van het werk overeenbrengen met de eerbiediging van het eigendomsrecht.

[ ... ]

(W. 8.4.1969 - art. 1, 5 - B.S. 25.6.1969)

ART. 22

[ ... ]

Opgeheven.

(W. 5.7.1956 - art. 111, 7° - B.S. 5.8.1956)

HOOFDSTUK IV Klauwengang en stoppelweige

ART. 23 - 28

- 28. [ ... ]

Opgeheven.

(W. 4.12.1961 - art. 1, a - B.S. 18.12.1961)

HOOFDSTUK V [ Afsluiting van eigendommen - afstand voor beplantingen -

afbakening van landbouw- en bosbouwzones ] (W. 8.4.1969 - art. 1, 6 - B.S. 25.6.1969)

ART. 29

Iedere eigenaar mag zijn erf afsluiten overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk

Wetboek.

ART. 30

Hij die tot afsluiting van zijn erf een niet gemene sloot wil graven, moet tussen die sloot en

het naburig erf half zoveel afstand laten als de sloot diep is.

Is het naburig erf een stuk bouwland of een hellend terrein, dan moet de afstand even groot

zijn als de sloot diep is.

De sloten worden zo aangelegd dat zij een glooiing hebben aan de kant van de nabuur en de

afloop van het water niet belemmeren.

Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig

gebruik, op ten minste vijftig centimeter van de scheidingslijn staan.

Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.


ART. 31

De eigenaar van een niet gemene levende haag of een niet gemene muur is gerechtigd,

buiten de tijd dat de vruchten te velde staan, het erf van zijn nabuur te betreden om de haag

te korten, te snoeien, het snoeisel weg te halen, de muur te herstellen of te onderhouden.

Indien dit erf afgesloten is, moet overgang gevraagd worden aan de nabuur, die de plaats

daarvoor naar keuze kan aanwijzen. In geval van weigering moet het erf betreden worden op

de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van veroorzaakte schade.

ART. 32

Een haag tussen twee erven wordt geacht gemeen te zijn, tenzij slechts een ervan

afgesloten is of tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit.

ART. 33

Een gemene afsluiting moet op gemeenschappelijke kosten onderhouden worden; de nabuur

kan zich aan die verplichting onttrekken door van de mandeligheid af te zien.

Dit recht vervalt wanneer het een sloot betreft die niet alleen tot afsluiting dient.

ART. 34

Bomen die in een gemene haag staan, zijn eveneens gemeen; ook bomen op de

scheidingslijn van beide erven worden geacht gemeen te zijn, tenzij het tegendeel blijkt uit

een titel of een voldoende bezit; sterven die bomen af of worden zij gekapt of gerooid, dan

worden zij bij helfte verdeeld; de vruchten worden op gemeenschappelijke kosten

ingezameld en eveneens bij helfte verdeeld, onverschillig of ze zijn afgevallen dan wel

geplukt zijn.

Iedere eigenaar heeft het recht te eisen dat de gemene bomen gerooid worden.

De mede-eigenaar van een gemene haag mag die verwijderen tot aan de grens van zijn

eigendom, onder verplichting om op die grens een muur te bouwen.

ART. 35

Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand

geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts

op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de

scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.

Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen

twee erven, geplant worden zonder dat een afstand in acht wordt genomen.

Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn

leibomen te gebruiken. (1)

(1) De nummering "35 §1" werd vervangen door "35" bij W. 8.4.1969 - art. 1, 7 - B.S.

25.6.1969).

ART. 35bis

[ §1. Wanneer ten minste de helft van de eigenaars of exploitanten die op het gebied van

een gemeente gronden bezitten of in bedrijf hebben, er uit eigen beweging of op vraag van

het college van burgemeester en schepenen om verzoeken, is de gemeenteraad gehouden

binnen twaalf maanden de gedeelten van het gemeentelijke grondgebied af te bakenen, die

in beginsel onderscheidenlijk voor landbouw en voor bosbouw worden bestemd.


Het college moet die vraag stellen wanneer erom verzocht wordt door ten minste drie

eigenaars of exploitanten die op het grondgebied van de gemeente samen tenminste tien

hectaren bezitten of in bedrijf hebben.

Het college draagt zorg dat de rijkslandbouwkundig ingenieur en de rijksingenieur van waters

en bossen van het gebied worden geraadpleegd. Het afbakeningsplan wordt gedurende

vijftien dagen voor eenieder ter inzage gelegd.

De bezwaren en opmerkingen worden schriftelijk gemaakt, door het college in ontvangst

genomen en bij het proces-verbaal gevoegd, dat wordt opgemaakt de dag na de sluiting van

de terinzagelegging. De gemeenteraad is gehouden van de uitslag van de terinzagelegging

kennis te nemen en, binnen een maand na de sluiting van het proces-verbaal, hetzij de

bezwaren en opmerkingen af te wijzen, hetzij het met inachtneming ervan gewijzigde plan

goed te keuren. Het besluit treedt in werking nadat het door de bestendige deputatie is

goedgekeurd.

§2. Wanneer in de landelijke gemeenten ten zuiden van Samber en Maas en in de andere

landelijke gemeenten van het land waarvan ten minste één tiende van het grondgebied

bebost is, de gemeenteraad de afbakening van het gedeelte van het gemeentelijk

grondgebied dat voor landbouw en van het gedeelte dat voor bosbouw bestemd wordt, niet

heeft uitgevoerd binnen de bij de wet van 15 april 1965 bepaalde termijn, wordt zij

ambtshalve gedaan door de arrondissementscommissaris, onder het gezag van de minister

van Landbouw.

De arrondissementscommissaris wint vooraf het advies in van de rijkslandbouwkundig

ingenieur en van de rijksingenieur van waters en bossen van het gebied. Daarna zendt hij

het ontwerp van afbakening aan de burgemeester, die het gedurende vijftien dagen ter

inzage legt. Na verloop van die termijn zendt de burgemeester het ontwerp terug, samen met

de schriftelijke bezwaren en opmerkingen die tijdens de terinzagelegging zijn ingekomen.

In geval van betwisting omtrent het landelijk karakter van een gemeente beslist de

bestendige deputatie van de provincieraad.

De door de arrondissementscommissaris bepaalde afbakening wordt aan de bestendige

deputatie ter goedkeuring voorgelegd.

§3. Er wordt op de bij §2 bepaalde wijze gehandeld, telkens als een gemeenteraad in

gebreke blijft de voorschriften van §1, eerste en tweede lid, van dit artikel na te komen.

§4. Indien een plan van aanleg, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 29 maart 1962

houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, bindende kracht

heeft verkregen na het besluit tot afbakening van de onderscheidenlijk voor landbouw of voor

bosbouw bestemde gedeelten, treedt het plan, voor zover het landbouw- en bosbouwzones

vaststelt, volledig in de plaats van dit besluit.

§5. In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting

verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is

vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist

binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn,

dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met

redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij

de bestendige deputatie.